donderdag 27 juni 2013

Toerisme in veel gemeenten in toenemende mate een economische drager van betekenis

Een ruimtelijke analyse van het belang van toerisme en recreatie voor de economie
De vakantie staat voor de deur, een mooie gelegenheid om een artikel te wijden aan de sector Toerisme en Recreatie. Ik geef toe, in het verleden twijfelde ik nog wel eens aan de bijdrage van deze sector aan de lokale economie. Veel gemeenten omarmen toerisme en recreatie namelijk omdat het over het algemeen 'schone' bedrijvigheid en werkgelegenheid betreft en de sector daarom een hoog politiek knuffelgehalte heeft. Niks mis mee, maar het is vaak een excuus om niets te hoeven doen met bedrijven die men liever niet in de achtertuin heeft, maar wel een grote betekenis hebben voor de lokale economie. Ondanks mijn wat kritische houding moet ik constateren dat de sector in veel gemeenten een significante bijdrage levert aan de lokale economie. In dit artikel een ruimtelijke analyse waar dat in Nederland wel het geval is en waar dat minder geldt.

Algemene ontwikkeling sector toerisme en recreatie in Nederland
In Nederland zijn volgens de meeste recente LISA gegevens in de sector Toerisme en Recreatie bijna 105.000 vestigingen met daarin bijna 500.000 werkzame personen actief. Daarmee is 8,3% van vestigingen en 6,2% de werkgelegenheid toe te schrijven aan de sector. In de periode 2008-2012 is in Nederland het aantal vestigingen met 16% toegenomen. Daarmee houdt de sector gelijke tred met de groei van het totaal aantal vestigingen in Nederland. De werkgelegenheid van de sector toerisme en recreatie ontwikkelt zich echter aanmerkelijk beter dan het totaal aantal banen in de economie. Daar waar in Nederland voor de totale werkgelegenheid over de periode 2008-2012 sprake is van een lichte afname met 0,3%  is het aantal banen in de toeristisch-recreatieve sector in dezelfde periode met 2% toegenomen.

Figuur 1
Geïndexeerde ontwikkeling vestigingen en banen, Toerisme en Recreatie en totaal 2008-2012
Bron: LISA, 2012, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Waar in Nederland concentreert de sector toerisme en recreatie zich?
In figuur 2 is te zien waar het aandeel van de sector Toerisme en Recreatie in zowel vestigingen als werkgelegenheid het hoogst is. Duidelijk zichtbaar is dat de sector het sterkst vertegenwoordigd is op de Waddeneilanden, waar meer dan 40% van de economie zich bezighoudt met toerisme en recreatie. Daarnaast is de sector sterk vertegenwoordigd aan de kust en in Zuidwest-Friesland, Limburg en het Rijk van Nijmegen. Ook in Amsterdam en omgeving is de sector bovengemiddeld sterk vertegenwoordigd.

Figuur 2
Aandeel T&R in de productiestructuur, vestigingen en werkgelegenheid, 2012

              Vestigingen                                                                             Banen
Bron: LISA 2012, bewerking Fanion Onderzoek & Advies
Waar groeit de sector Toerisme en Recreatie?
De ontwikkeling van de sector Toerisme en recreatie is niet over gelijk. Opvallend is dat het aantal vestigingen in de sector flink is afgenomen in Zeeland, Friesland en Zuid-Holland. Daarnaast neemt het aantal bedrijven af in de regio Noordoost-Brabant. Sterke groei van het aantal vestigingen is te zien tussen Utrecht en Amsterdam rondom de Loosdrechtse en Vinkeveense plassen, in Amsterdam en de regio Waterland, in het oostelijk deel van de Veluwe en in het gebied dat loopt van De Baronie van Breda, via Tilburg naar de Brabantse Kempen. Het beeld in Zuid-Limburg is sterk wisselend. 
De ontwikkeling van de toeristisch-recreatieve werkgelegenheid laat een ongeveer gelijk beeld zien. Het aantal banen in de sector groeit sterk in Flevoland en Noord-Overijssel. Daarnaast is de groei van de werkgelegenheid sterk in Het Groene Hart, delen van Brabantse Kempen en in Oost-Groningen/Delfzijl e.o. Dit laatste kan ook te maken hebben met de activiteiten in de Eemshaven, waar voor de vele arbeidsmigranten extra (tijdelijke) hotels zijn gebouwd. Het aantal toeristisch-recreatieve banen is met name gedaald in West-Friesland, Friesland, de omgeving Leiden en de Bollenstreek, 't Gooi, Noordoost-Brabant/de Peel en de Achterhoek.

Figuur 3
Ontwikkeling van het aantal vestigingen en de werkgelegenheid in de sector toerisme en recreatie,
2008-2012
                              Vestigingen                                                                                  Banen
Bron: LISA, 2012 bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Waar draagt de sector Toerisme en Recreatie bij aan economische groei?
Wanneer gekeken wordt naar de bijdrage van de Toerisme en Recreatie in de ontwikkeling van het aantal vestigingen dan is het belang van de sector met name gegroeid in Brabantse Kempen, Noord-Overijssel en Noord-Friesland, Flevoland, Amsterdam en de regio Waterland. De Achterhoek en Twente/Salland kleuren ook overwegend groen. Ook de Peel kleurt lichtgroen; wat opvallend is aangezien daar de T&R-sector relatief sterk is afgenomen. Dit betekent dat de economie als geheel het daar nog slechter heeft gedaan.
In de regio's Zeeland, Zuid-Holland Zuid, Oost-Groningen, Zuidwest-Friesland en Zuid-Limburg draagt de sector minder dan gemiddeld bij aan de ontwikkeling van de groei van het aantal bedrijfsvestigingen.
De bijdrage van de sector toerisme en recreatie aan de werkgelegenheid is vooral hoog in Het Groene Hart, Midden-Brabant, Oost-Groningen en een groot aantal gemeenten in de De Brabantse Kempen.
Het omgekeerde is zichtbaar in West-Friesland, Zuidwest-Friesland, Drenthe, Noord-Limburg, Goeree-Overflakkee en een aantal gemeenten in de Achterhoek. Daar levert de sector Toerisme en Recreatie een negatieve of ondergemiddelde bijdrage aan de ontwikkeling van de werkgelegenheid.

Figuur 4
Bijdrage van de sector T&R aan de ontwikkeling van het aantal vestigingen en de werkgelegenheid
          
        Groei vestigingen T&R vs                                                                Groei banen T&R vs   
        groei totaal aantal vestigingen                                                        groei totaal aantal banen                          

Bron: LISA 2012, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Toelichting:

Per gemeente is vergeleken hoe de sector toerisme en recreatie zich heeft ontwikkeld ten opzichte van de economie als geheel. Als de sector het beter deed dan de totale lokale economie dan is de gemeente groen gekleurd, was de ontwikkeling van toerisme en recreatie slechter dan de ontwikkeling van de totale lokale economie dan is deze gemeente rood gekleurd.


Waar ontwikkelt Toerisme en Recreatie zich het best, en waar het minst goed?
Geconcludeerd kan worden dat de sector Toerisme en Recreatie in veel gemeente een belangrijke bijdrage levert aan de lokale economie. In dit artikel is gekeken naar de omvang van de sector Toerisme en Recreatie in de gemeenten en daarnaast is gekeken naar de groei van de sector in zowel aantal vestigingen als de werkgelegenheid. In de laatste figuur zijn de scores voor omvang en groei gecombineerd tot een prestatie-index. Uit deze analyse blijkt dat in de meeste gemeenten de sector Toerisme en Recreatie vrij gemiddeld presteert (deze kleuren blauw). Gebieden waar de sector van groot belang is en goed presteert is op de Wadden, Flevoland, Amsterdam e.o., De Veluwe, Oost-Twente, De Brabantse Kempen en de regio tussen Utrecht en Amsterdam (Vinkeveense en Loosdrechtse plassen). 
De prestaties van de sector Toerisme en Recreatie vallen tegen in West-Friesland, grote delen van Zeeland, Rijnmond/Zuid-Zuid-Holland, Noordoost-Brabant, De Langstraat, de Bommelerwaard, het noordelijk deel van de Achterhoek en Zuidwest-Twente.    

Figuur 5
Prestatie-index Toerisme en Recreatie naar gemeente
Bron: LISA 2012, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Tot zover een de analyse van de sector Toerisme en Recreatie in Nederland op basis van de meest recente LISA cijfers. Ik wens iedereen een fijne en ontspannen vakantie toe en geniet van hetgeen de sector Toerisme en Recreatie te bieden heeft.

© Henry de Vaan, Fanion Onderzoek & Advies, juni 2013











donderdag 30 mei 2013

Regionale verschillen in werkloosheid

De werkloosheid loopt fors op

De werkloosheid in Nederland is in 2012 fors opgelopen. Volgens het UWV waren er per januari 2012 480.000 Niet Werkende Werkzoekenden (NWW'ers) en in januari 2013 604.000. Dit komt neer op stijging van maar liefst 26%. In de eerste vier maanden van 2013 zijn er nog eens 32.000 NWW'ers bijgekomen; een stijging van 5% ten opzichte van januari.
In vergelijking met januari 2008 is zelfs sprake van een stijging van het aantal werklozen met bijna 40%.
Naar verwachting zal de werkloosheid de komende periode nog flink blijven toenemen. Enerzijds loopt het aantal faillissementen nog altijd op en daarnaast hebben bedrijven in zowel de private als de publieke sector ontslagrondes aangekondigd.
Figuur 1 Geïndexeerde ontwikkeling werkloosheid (NWW), 2008=100
Werkloosheidontwikkeling
Bron: UWV (www.werk.nl), bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Vooral in het Noorden en het Rijnmondgebied hoge werkloosheid

Het werkloosheidspercentage (NWW/beroepsbevolking) bedraagt in het eerste kwartaal van 2013 landelijk ongeveer 7,8%. De hoogste werkloosheidspercentages zijn te vinden in Groningen en Friesland. Opvallend is dat veel gemeenten op de grens met Duitsland een hoge werkloosheid kennen. Daarnaast is de werkloosheid hoog in het Rijnmondgebied en de regio Den Haag. De werkloosheid in Noord-Holland en Utrecht is over het algemeen laag.
Figuur 2 Werkloosheid t.o.v. beroepsbevolking
Bron: UWV/CBS, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

Werkloosheid groeit vooral in Noordoost-Brabant, Noord-Veluwe, West-Friesland, Het Groene Hart en Overijssel

De werkloosheid is zowel tussen 2008-2013 als in de periode 2012-2013 in vrijwel alle gemeenten toegenomen. De gemiddelde toename bedroeg tussen 2008-2013 53 procent en tussen 2012-2013 35 procent. In enkele gemeenten is de werkloosheid echter afgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Den Helder,  Arnhem, Amsterdam en de gemeenten Oldambt en Bellingwedde.Opvallend is dat het noorden van het land een relatief gunstig beeld laat zien. Ook in Zuid- en Midden-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen ontwikkelt de werkloosheid zich in verhouding gunstig.

De toename van werkloosheid heeft tussen 2008 en 2013 vooral plaatsgevonden in de regio's Noordoost-Brabant, delen van Zuidoost-Brabant, het Groene Hart, West-Friesland, Noord-Veluwe, delen van de Achterhoek en Twente en Zuid-Holland Zuid.

Zoals blijkt uit figuur 1 is de werkloosheid vooral in 2012 fors opgelopen. Vooral in het Groene Hart, delen van Oost-Brabant en Noord-Overijssel is de werkloosheid fors gegroeid in de periode 2012-2013.

Figuur 3 Ontwikkeling werkloosheid periode 2008-2013 en periode 2012-2013

Gecombineerde score werkloosheid: werkloosheidspercentage en ontwikkeling werkloosheid

In figuur 4 is het werkloosheidspercentage gecombineerd met de ontwikkeling van de werkloosheid over de periode 2008-2013. De gemeenten die slecht scoren combineren een in verhouding hoge werkloosheid met een relatief sterke toename van de werkloosheid. De gemeenten die positief scoren, combineren een relatief laag werkloosheidspercentage met een geringe toename (of zelfs een afname) van de werkloosheid in de periode 2008-2013.
Uit de berekening komt naar voren dat vooral Friesland, Flevoland, Overijssel en de Achterhoek een slecht beeld laten zien als het gaat om de werkloosheid. Dit geldt ook voor de regio's Rijnmond, Den Haag e.o. en delen van Oost-Brabant. Opvallend positief naar voren komen de Kop van Noord-Holland, de regio Amsterdam e.o., Utrecht en 't Gooi. Ook Zeeland, West-Brabant en grote delen van Limburg laten een relatief gunstig beeld zien.

Figuur 4 Gecombineerde score werkloosheidspercentage en werkloosheidsontwikkeling 2008-2013
Bron: UWV/CBS, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

© Fanion Onderzoek & Advies
Mei 2013



dinsdag 23 april 2013

Regelgeving blokkeert doorbreken Prisoners dilemma problematiek kantorenleegstand

Prisoners dilemma bij kantorenleegstand
© Fanion Onderzoek & Advies
Vastgoedeigenaren die een kantoor bezitten dat (grotendeels) leegstaat in een gebied met een hoge kantorenleegstand, hebben te maken met het 'prisoners dilemma'. Zij hebben namelijk de keuze om hun vastgoed af te schrijven en eventueel af te breken waarmee ze een groot verlies moeten nemen en waarbij bovendien de overgebleven kantoorpanden in het gebied relatief gunstiger in de markt komen te liggen (c.q. een grotere kans krijgen om verhuurd te worden); er is immers minder concurrentie. Het alternatief is om niet af te schrijven, te hopen op betere tijden en te af te wachten tot andere pandeigenaren hun panden uit te markt halen zodat het eigen pand relatief meer waard wordt. Op dit moment doen vrijwel alle vastgoedeigenaren dat laatste en zit iedereen op elkaar te wachten. Het gevolg is een suboptimale oplossing waarbij (bijna) alle pandeigenaren verlies lijden, te maken hebben met leegstand en het totale kantorengebied verder achteruit gaat. Doordat er veel panden leeg staan en er veel makelaarsborden met 'te huur' hangen, wordt het gebied namelijk onaantrekkelijk voor nieuwe huurders waardoor de situatie uiteindelijk voor alle pandeigenaren in het gebied verslechtert.

Gebiedsgerichte aanpak: kantorenfonds
Een 'prisoners dilemma' als dit is niet eenvoudig op te lossen. Namelijk geen van de vastgoedeigenaren wil in zijn of haar kaarten laten kijken en de concurrentie wijzer maken dan zij al is. De vastgoedeigenaren zullen daarom uit zichzelf niet snel met een oplossing komen en afwachten totdat het water ze echt aan de lippen komt en ze niet anders meer kunnen.

In het Convenant Leegstand Kantoren staan goede maatregelen om het 'prisoners dillemma' te doorbreken en een beter Pareto-optimum voor alle vastgoedeigenaren te bereiken. Een gebiedsgerichte aanpak zal absoluut nodig zijn om tot een oplossing te komen. Daarbij zullen alle vastgoedeigenaren water bij de wijn doen om het probleem op te lossen door (delen) van de opbrengsten in te brengen en verlies te nemen. In artikel 5 van het Convenant Leegstand Kantoren wordt geopperd om daarvoor te komen tot een gebiedsgebonden kantorenfonds, waaraan alle vastgoedeigenaren bijdragen. Wanneer een dergelijk kantorenfonds goed wordt uitgevoerd zou dit, althans in theorie, inderdaad moeten leiden tot een meer optimale uitkomst voor alle vastgoedeigenaren. De volgende stappen moeten mijns inziens daarbij worden doorlopen:

  1. Vastgoedeigenaren verenigen zich in een gebied en gaan samenwerking aan;
  2. In een gebied wordt aan de hand van een gebiedsgewijze kantorenportfolioanalyse wordt op basis van objectieve criteria in beeld gebracht welke panden kansrijk en kansarm zijn voor verhuur in de toekomst;
  3. Aan de hand van de analyse wordt gezamenlijk bepaald welke panden uit de markt worden genomen of worden gerenoveerd;
  4. Alle vastgoedeigenaren in het gebied leveren een bijdrage in een vastgoedfonds bijv. door opbrengst in te brengen dan wel bereidheid om verlies te nemen en een pand uit de markt te nemen.
  5. Aan de vastgoedeigenaren die hun pand uit de markt halen, wordt een een subsidie of tegemoetkoming  verstrekt uit het vastgoedfonds. 

© Fanion Onderzoek & Advies
De uiteindelijke oplossing kent, in ieder geval in theorie, een hoger optimum dan wanneer alle eigenaren afwachten. Namelijk diegenen die hun pand van de markt halen worden (tot op zekere hoogte) gecompenseerd. Hun opbrengst is daarmee hoger dan wanneer ze niks zouden krijgen en alle verlies zelf moeten dragen. De vastgoedeigenaren van de kantoorpanden die blijven staan hebben minder concurrentie waardoor er meer schaarste is, de kans groter wordt dat er een nieuwe huurder gevonden wordt en de huurprijzen op peil blijven. Hierdoor stijgen de opbrengsten van het overgebleven vastgoed in het gebied. Dus ook zij hebben er profijt van. Tot slot wordt ook het kantorengebied aantrekkelijker doordat incourant vastgoed uit de markt is gehaald, hetgeen leidt tot hogere maatschappelijke baten.

Nieuwe wetgeving nodig
Het oprichten van collectieve regeling als een kantorenfonds gebeurt echter vaak niet vanzelf. Met name de vastgoedeigenaren van kantoorpanden die wel grotendeels verhuurd zijn, zullen de meerwaarde niet gauw zien. Voor het oprichten van een kantorenfonds zal daarom aangepaste wetgeving nodig zijn om te komen tot een verplichte deelname en bijdrage. Volgens een recente studie van Deloite in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zal het nog niet makkelijk zijn dit te realiseren. Daarbij zijn vergelijkingen gemaakt met het vormen van ondernemersfondsen om free riders gedrag aan te pakken (bijv. de BIZ-regeling).

Desondanks is het komen tot gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak met bijvoorbeeld een kantorenfonds de enige mogelijkheid om het Prisoners dilemma op relatief korte termijn te doorbreken en voor alle partijen te komen tot een meer optimale oplossing. Het alternatief is om te wachten tot vastgoedbedrijven failliet gaan of op andere wijze noodgedwongen afstand doen van hun vastgoed. De (maatschappelijke) kosten daarvan zijn voor alle partijen waarschijnlijk vele malen hoger.

© Henry de Vaan, Fanion Onderzoek & Advies, april 2013


dinsdag 12 maart 2013

Niet overal daalt de werkgelegenheid; Flinke regionale verschillen.

Eind februari zijn de nieuwe cijfers over banen en vestigingen van het LISA (www.lisa.nl) over de periode 2011-2012 beschikbaar gekomen. In dit bericht volgt een korte eerste analyse van deze cijfers die een interessant inzicht geven in de ontwikkeling van de vraagzijde van de arbeidsmarkt en de economie.

Daling van de werkgelegenheid in 2012, lagere groei aantal nieuwe vestigingen

De werkgelegenheid in Nederland is tussen 2011 en 2012 licht gedaald met -0,7% van 8.141.700 banen in 2011 naar 8.084.740 banen in 2012. Over periode 2008-2012 is de werkgelegenheid slechts met -0,3% gedaald. Het aantal bedrijven en instellingen is tussen 2011 en 2012 toegenomen met 1,5% van 1.239.180 in 2011 naar 1.248.130 in 2012. Er is al langere tijd sprake van een stijging van het aantal vestigingen. In periode 2008-2012 groeide het aantal bedrijven en instellingen met 15,6%. Vooral het aantal ZZP'ers en starters is sterk gegroeid de afgelopen jaren. Opvallend is wel dat de groei van het aantal nieuwe bedrijven in 2012 flink teruggelopen is, blijkbaar durven veel mensen de stap naar het ondernemerschap op dit moment niet te maken.



Verschillen in werkgelegenheidsgroei tussen gemeenten 2011-2012

Een ruimtelijke analyse van de cijfers laat zien dat in het grootste deel van de Nederlandse gemeenten een daling van de werkgelegenheid te zien is geweest. Opvallend is dat in West-Brabant en Zuid-Zuid-Holland relatief veel gemeenten te maken hebben gekregen met een flinke afname van het aantal banen. In positief opzicht vallen de gemeenten in regio's Noord-Holland, Zuid-Flevoland, de Veluwe (deels), De Liemers en Zuidoost-Brabant op met werkgelegenheidsgroei. Ook in het westelijk deel van Friesland en Noordoost-Groningen is er bij veel gemeenten sprake geweest van werkgelegenheidsgroei tussen 2011 en 2012. 



Werkgelegenheidsontwikkeling langere termijn 2008-2012

Over de periode 2008-2012 zijn met name in de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant veel banen verloren gegaan. Veel gemeenten hebben meer dan 5% van de werkgelegenheid verloren. Ook in de regio Gooi- en Vechtstreek, het noordoosten van Friesland. het noorden van de Overijssel en Zuid-Limburg hebben veel gemeenten te kampen met een banenverlies van meer dan  5%. De werkgelegenheid is daarentegen flink gegroeid in veel gemeenten in Noordoost-Groningen, Flevoland en de regio Amsterdam. In Noordoost-Groningen heeft dit waarschijnlijk te maken met de activiteiten in en rond de Eemshaven. Tot slot is er ook op de Veluwe, het westelijk deel van Friesland, de Stadsregio Arnhem-Nijmegen en West-Brabant/Zuid-Zuid-Holland in veel gemeenten sprake van werkgelegenheidsgroei geweest.



Banengroei en groei aantal vestigingen naar COROP: 2008-2012


Als de groei van de werkgelegenheid en de vestigingen tegen elkaar worden afgezet dan laten de COROP-gebieden Groot-Amsterdam en Flevoland een goede economische ontwikkeling zien ondanks de economische recessie. Ook overig Groningen, de Zaanstreek, Utrecht, Arnhem-Nijmegen, Utrecht en Zuidoost-Noord-Brabant scoren boven het landelijk gemiddelde op zowel werkgelegenheidsgroei als de groei van het aantal vestigingen.
De economie heeft het meest te lijden van de crisis in de regio's Gooi- en Vechstreek, IJmond en Noordoost-Noord-Brabant, Haarlem e.o., Delft en Westland en Den Haag e.o. In deze regio's blijft zowel de groei van het aantal bedrijven als de werkgelegenheidsgroei achter bij het landelijk gemiddelde.


Bron: LISA 2013, bewerking Fanion Onderzoek & Advies

© Henry de Vaan - Fanion Onderzoek en Advies
12 maart 2013



woensdag 27 februari 2013

Discussie koopzondag is symptoombestrijding


Op dit moment zijn er in veel plaatsen discussies gaande over de permanente koopzondag, zoals in Tilburg of Utrecht. De voorstanders geven aan dat zij met de zondagopenstelling tegemoet komen aan de wensen van de klant en daarmee bovendien extra omzet kunnen halen. De tegenstanders pleiten voor de zondag als vaste rustdag vanuit geloofsovertuiging, of omdat ze het niet op kunnen brengen om op zondag open te gaan; zij geven aan dat de baten niet opwegen tegen de kosten en dat het praktisch niet op te brengen is vanwege de lange werkweken die al worden gemaakt. Wel zijn de kleine winkeliers bang voor omzetverlies aan de winkels die wel opengaan op zondag.


Onderzoek naar het draagvlak
Het afgelopen jaar heb ik in een aantal gemeenten draagvlakonderzoek naar verruiming van de koopzondag mogen doen. Uit deze onderzoeken zijn de volgende conclusies te trekken:
  • De consument willen over het algemeen (zeer christelijke kernen daargelaten) inderdaad graag de mogelijkheid hebben om op zondag boodschappen te doen of te winkelen. Dit is trouwens ook af te leiden uit ander onderzoek.
  • Het grootwinkelbedrijf komt hieraan graag tegemoet. Supermarkten en winkels in elektronica, beeld- en geluidsdragers, bouwmarkten en tuincentra, mode en luxe en andere vrije tijdsartikelen komen graag aan de wens van de klant tegemoet en zien mogelijkheden voor extra omzet.
  • Tegenstanders zijn de kleine, zelfstandige winkeliers die vaak zelf in de winkel staan, lange dagen maken. Zij geven aan dat voor hen de kosten niet opwegen tegen de baten en dat zij behoefte hebben aan een vaste vrije dag. Vooral de verswinkeliers zien elke zondag open niet zitten.
Kortom, de tegenstellingen tussen de winkeliers zijn groot.
Wat te doen?
Wie heeft er nu gelijk en wat te doen? Mijns inziens hebben beide partijen gelijk en ligt er een meer fundamentele keuze ten grondslag aan de discussie over de koopzondag, namelijk: waar willen we heen met de detailhandel in dorpen en steden in Nederland? De discussie over de koopzondag is slechts een van de symptomen van een dieperliggende discussie.

Fijnmazige detailhandelsstructuur
De detailhandelsstructuur van Nederland is zeer fijnmazig doordat deze vanuit de overheid binnen de ruimtelijke ordening altijd is beschermd. Hierdoor heeft iedere consument op relatief korte afstand een ruime keuze aan winkels beschikbaar. Een aantal trends en ontwikkelingen schiet echter inmiddels gaten in deze structuur, namelijk: er zijn de afgelopen jaren te veel winkelmeters bijgekomen, de opkomst van internet als verkoopkanaal waardoor bestedingen wegvloeien en consumenten houden al een paar jaar de hand op de knip als gevolg van de aanhoudende economische malaise. Het gevolg is dat winkeliers steeds minder omzetten. Als reactie hierop worden winkels alsmaar groter, gaan winkelcentra steeds meer op elkaar lijken doordat alleen de filialen het hoofd boven water houden en willen winkels steeds vaker en langer open om wat van het omzetverlies goed te maken.

Het maken van keuzes
De volgende keuze bij voor beleidsmakers ligt nu volgens mij voor:
  1. Verdergaan op het ingeslagen pad van het toestaan van meer winkelmeters en het (volledig) vrijgeven van de winkeltijden. Hierdoor zal de kleine, zelfstandige winkelier het inderdaad steeds moeilijker krijgen en is de consequentie dat steeds meer kleine winkels uit de winkelgebieden verdwijnen, maar uiteindelijk ook dat er winkelgebieden verdwijnen.
  2. Kiezen voor het beschermen van de fijnmazige detailhandelsstructuur door de groei van het aantal winkelmeters te beperken of zelfs het aantal winkelmeters te verkleinen, te zorgen voor goed bereikbare en prettige winkelgebieden en door ook voorzichtig om te springen met het te zeer verruimen van de winkeltijden. Hierdoor zullen meer kleine, zelfstandige winkeliers kunnen blijven bestaan waardoor er meer diversiteit blijft. Ook kleinere buurtwinkelcentra houden zo iets meer overlevingskans.
De kool en de geit sparen lukt volgens mij niet. Alleen wordt dat toch te vaak geprobeerd in de discussie rondom de koopzondagen. De meeste gemeenten kiezen op dit moment voor de eerste keuzemogelijkheid en gaan mee in het verruimen van de koopzondagen. Dit is ook in lijn met het Rijksbeleid dat de koopzondag wil vrijgeven. Bovendien als de buurgemeenten het doen, dan kan men bijna niet anders dan de eigen winkeliers, die dit willen, een gelijk speelveld geven. Dit beleid is verdedigbaar, maar er moet wel eerlijk aan de kleine winkeliers bij verteld worden dat voor hen de toekomst er weinig rooskleurig uit zal zien en aan de consument dat de diversiteit in de winkelgebieden en het aanbod van authentieke kleine winkels op termijn minder zal worden.

© Henry de Vaan 
Waalwijk 27 februari 2013